UGent

  Projectbeschrijving
  Doelstellingen project
  Doelgroepen
  Projectactiviteiten
  Partners en financiers
  Hogeschool Zeeland
  IMARES
  KaHo
  KULeuven
  LEI
  PCG
  PIVAL
  PRI
  UGent
  Medewerkers UGent
  WPIG
  Films
  Afbeeldingen
  Contact
  Disseminatie


        


Beschrijving Laboratorium voor Aquacultuur en Artemia Reference Center (of kortweg ARC)

Het onderzoek aan het Laboratorium voor Aquacultuur & Artemia Reference Center is geëvolueerd van fundamenteel en toegepast onderzoek op de kweekbiologie van het pekelkreeftje Artemia naar een multidisciplinair onderzoek van de teelt van larvale vis, schaal- en schelpdieren in samenwerking met verschillende onderzoeksgroepen in binnen-en buitenland.
De overleving van zeevis larven is bijvoorbeeld de laatste 6 jaar verdubbeld maar schommelt nog altijd slechts tussen de 30 en 40%. De nutritionele behoeften, het effect van het toedienen van microbiota aan de larven op de groei, darmontwikkeling, immunorespons en overleving wordt in het labo onderzocht.  Een gestandaardizeerde gnotobiotische kweekmethode werd ontworpen met Artemia als testorganisme en axenisch gekweekte gisten en wieren. De werkingsmechanismen van verschillende, al dan niet tentatieve probionten wordt onderzocht aan de hand van histologische technieken en/of fluorescentie microscopie (met gelabelde micro-organismes) en microbiologische technieken (quorum-sensing afbrekers, reporter strains). Dankzij deze gestandardiseerde gnotobiotische kweekmethode kan het direct of indirect nutritioneel effect van micro-organismen onderzocht worden alsook de vraag naar de betrokkenheid van micro-organsimen bij de aanmaak van spijsverteringsenzymen.

Activiteit 1 : Microbieel management van een schelpdierhatchery

Beschrijving
Het hoofddoel van dit project is de rentabiliteit van een schelpdierhatchery/nursery te verhogen door de zaadproductie te verhogen dankzij lagere mortalteit en snellere groei. Hiervoor wordt gedacht aan het gebruik van probionten en immunostimulanten. Drie belangrijke schelpdieren voor de Nederlandse visserij worden gevolgd : platte oester (Ostrea edulis), mosselen (Mytilus edulis) en kokkels (Cerastoderma edule).  

Het staat bekend dat larven van tweekleppigen zoals oesters, heel gevoelig zijn voor bacteriële infecties. Massale larvale mortaliteit wordt vaak veroorzaakt door bacteria die behoren tot de groep van Vibrios and Aeromonas. Hetzelfde probleem wordt succesvol opgelost in de garnalenkweek door het gebruik van mengels van probionten. Probionten zijn onschadelijke bacteriën die in competitie treden met bacteriële pathogenen voor nutrienten en/of die de groei van de pathogenen verhinderen door enerzijds het water en de ingewanden van de dieren te pre-coloniseren en anderzijds door directe afdoding. Het profylactisch gebruik van probionten biedt een alternatief voor het gebruik van antibiotica in de aquacultuur. Langs de andere kant worden immunostimulanten ook vaak gebruikt in de visteelt en garnalenkweek. Zij stimuleren het natuurlijk niet-specifiek afweermechanisme van de dieren waardoor ze resistenter worden tegen stress veroorzaakt bijvoorbeeld door schommelingen in temperatuur of zoutgehalte.

Het gebruik van probionten en immunostimulanten staat wereldwijd nog in zijn kinderschoenen maar kent een enorme snelle opmars. Vooral in de garnalenkweek wordt er dankbaar gebruik van gemaakt. Het gebruik van probionten in de schelpdiersector is beperkt tot enkele hatcheries die de positieve effecten erkennen zonder echt op te volgen wat er op microbieel vlak echt gebeurt. Deze informatie is echter cruciaal om de techniek nog te verbeteren en eventueel te kunnen aanpassen per schelpdiersoort. Het project hoopt juist deze informatie te bekomen met behulp van hoogtechnologische technieken zoals microbieel fingerprinten. Deze producten die nu al successvol gebruikt worden in de visteelt en garnalenkweek zullen uitgetest worden op hun efficiëntie voor bivalven waarbij de aandacht vooral zal gaan naar hun gebruik in de larvale kweek en in de algenkweek.

Deze activiteit wordt enkel door de partner UGent uitgevoerd.

Voortgang 1 september – 15 december 2009

In een eerste fase willen we de effecten van probionten op de kweek van micro-algen nagaan. Hiervoor werd in de voorbije maanden een algenkamer ingericht waarin de meest courant gebruikte algensoorten gekweekt worden, in batch en tot een maximaal volume van 20liter. Speciale aandacht werd gegeven aan de temperatuursregeling van de kamer en energiezuinige verlichting. Op dit ogenblik worden 6 soorten algen gekweekt, 3 flagelaten en 3 diatomeeën.

Twee aanbestedingen werden uitgeschreven en gegund, een op nationaal niveau voor het leveren van immunostimulanten en probionten en een op europees niveau voor het leveren van schelpdierlarven en micro-algen. Naast de fysieke levering van producten, wordt de leverancier van probiotica verondersteld specifieke kennis over de producten te delen  en bij te dragen tot de design en opvolging van de experimenten. Van de schelpdierhatchery wordt tevens verwacht dat ze grootschalige proeven uitvoert met geselecteerde probionten in haar algenkweeksysteem en larvale kweeksystemen.

Een doctoraatsstudent werd geselecteerd in september om vooropgestelde Interreg-proeven uit voeren als onderdeel van haar/zijn onderzoek. De keuze viel op Mevr. Mieke Eggermont, dierenarts. Ze start op 4 januari 2010. Het is de bedoeling dat ze na 6 jaar promoveert op microbiële interacties bij bivalven.

Planning 15 december – 30 maart 2010

- Selectie probionten
- Criteria bepalen die kwaliteit van algencultuur bepalen
- Kleinschalige proeven met probionten in algencultuur
- Opzetten kleinschalig kweeksysteem mossellarven aan Ugent
- Eerste overleg met gecontracteerde bedrijven

Activiteit 2 : Duurzame visteelt

Deze activiteit wordt door 6 partners gezamenlijk uitgevoerd, waarbij UGent vooral de aspecten rond larvale kweek en vroege weaning van zoetwatervis zal onderzoeken. Niet enkel de vissoorten die door de andere partners zullen gekweekt worden komen hiervoor in aanmerking, maar ook nieuwe soorten zoals de Lota lota. In het eerste jaar zal de aandacht bij Ugent gaan naar deze nieuwe soorten, gezien de andere partners van Activiteit 2  zich concentreren op de grow-out van gekende zoetwatervissen en hun  pootvis kunnen kopen.  Vanaf het tweede jaar zal de aandacht echter ook gevestigd worden op de larvale kweek van deze vissoorten die door de andere partners als beloftevol worden beschouwd, zoals snoekbaar, gestreepte baars en jade baars.

Voortgang 1 september – 15 december 2009
De weaning van de kwabaal (Lota lota, zoetwaterkabeljauw) vormt het onderwerp van een masterthesis die zal uitgevoerd worden door Szilvia Mihalffy. Voorbereidende gesprekken werden reeds uitgevoerd met 
- dierenvoederfabrikant INVE voor de levering van commericële weaning diëten en grondstoffen
- het visreproductiecentrum van INBO (Instituut voor Natuur-en Bosonderzoek) in Linkebeek, voor de levering van kwabaallarven
De eerste testdiëten voor de kwabaallarven werden samengesteld in het labo van UGent. Het benodigde materiaal zoals aquaria en luchtpompjes zijn ook aangeschaft.

Planning 15 december – 30 maart 2010
Begin februari 2010 worden de eerste kwabaallarven verwacht in het lab. In een eerste test zullen verschillende dichtheden van larven gevoederd worden met verschillende concentraties aan Artemia nauplii. Deze matrix-benadering zou de optimale dichtheid in functie van de voederhoeveelheid moeten bepalen voor kwabaallarven. 
Kleine voedertestjes zullen uitgevoerd worden, waarbij vooral de opname van de verschillende weaningdiëten visueel zal opgevolgd worden, dit als voorbereiding op de grote voedertest. De grote voedertest die 60 dagen zal duren, zal 9 diëten uitproberen in 4 replicas. Commerciële diëten naast zelf-geformuleerde diëten zullen vergeleken worden. Belangrijke parameters hierbij zijn oa :
- opname voedsel door vislarven (ingestie)
- waterkwaliteit
- groei vislarven
- overleving vislarven

 

  
Print deze pagina